Naar de inhoud
Keuringsplicht

Wie mag in België arbeidsmiddelen keuren?

Je eigen deskundige mag het, intern of extern — behalve bij hefwerktuigen. Die moeten naar een erkend organisme, elke twaalf maanden. Waar de grens ligt.

Redactie Tooltagger7 min lezen

Voor het grootste deel van je materieel mag een eigen medewerker de keuring doen. Voor een kleine, scherp omschreven groep mag dat juist níét en moet er een erkend organisme aan te pas komen. Die grens bepaalt of je iemand inhuurt of niet, en hij loopt ergens anders dan de meeste mensen denken.

De hoofdregel: je eigen deskundige volstaat

Artikel IV.2-14 van de codex over het welzijn op het werk sluit af met één zin die de hele discussie beslecht:

Onverminderd de wettelijke verplichtingen inzake controles door EDTC’s, worden de in dit artikel bedoelde controles uitgevoerd door deskundigen, intern of extern aan de onderneming of inrichting.

Twee dingen staan daar. Eén: de standaard is een deskundige, en die mag op je eigen loonlijst staan. De wet eist geen certificaat, geen accreditatie en geen externe partij. Twee: dat geldt onverminderd de gevallen waarin een EDTC verplicht is — een externe dienst voor technische controles, in oudere teksten een “erkend organisme” genoemd. Die uitzonderingen zijn de kern van dit artikel.

Dezelfde bepaling legt ook vast wat je met de uitkomst doet: de resultaten moeten schriftelijk worden vastgelegd, ter beschikking blijven van de toezichthoudende ambtenaar en gedurende een gepaste tijd bewaard worden. En gaat het middel de deur uit, dan moet het vergezeld gaan van een materieel bewijs van de laatste controle. Dat het AREI daar niets mee te maken heeft is een misverstand dat veel bedrijven geld kost: het AREI gaat over je vaste installatie, niet over je gereedschap.

De uitzondering: hefwerktuigen

Voor hefwerktuigen schrijft het ARAB — het oudere Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming, dat op dit punt nog geldt — wél een externe partij voor.

Artikel 280 verplicht een keuring vóór de indienststelling, en opnieuw na elke omvorming waardoor de veiligheidskenmerken kunnen wijzigen. Die keuring gebeurt door een organisme dat daarvoor erkend is. Let op het detail: het gaat om een erkenning voor de controle van hefwerktuigen. Het organisme dat je AREI-keuring doet, is niet automatisch erkend voor je kraan.

Het toestel mag pas in gebruik nadat dat organisme een proces-verbaal heeft afgeleverd met de maximaal toelaatbare belasting, de datum en de uitslag. Dat document hoort bij het toestel te blijven en moet ter beschikking staan van de inspectie.

Twaalf maanden of drie? Allebei, maar niet voor hetzelfde

Hier gaat het bijna overal mis. “Hijsmaterieel moet elke drie maanden gekeurd worden” is een zin die je op talloze pagina’s tegenkomt, en hij klopt niet zoals hij er staat.

Artikel 281 maakt twee aparte verplichtingen:

  • Het volledige toestel: minstens om de twaalf maanden. Een “nauwkeurig en volledig onderzoek”, uitgevoerd door een erkend organisme. Het omvat het geraamte, het mechanisme, de onderdelen, de rolbanen en alles wat zonder demonteren bereikbaar is.
  • De veiligheidskritische delen: minstens om de drie maanden. De wettekst somt op: kabels, kettingen, haken, stangen, schijven, zwengels, remmen, slagnokken “en andere om ’t even welke delen die, ten opzichte van de veiligheid, van belang zijn”.

Het verschil zit niet alleen in de termijn. Bij het jaarlijkse onderzoek noemt het artikel uitdrukkelijk het erkend organisme; bij het driemaandelijkse onderzoek van de onderdelen doet het dat niet. Daarmee valt dat laatste terug op de hoofdregel uit de codex: een deskundige, intern of extern. Dat scheelt in de praktijk aanzienlijk, maar leg die lezing voor aan je erkend organisme voordat je erop bouwt — het is een afleiding uit twee teksten, geen zin die ergens letterlijk zo staat.

Voor toestellen die uitsluitend goederen vervoeren en zelden gebruikt worden, mag de driemaandelijkse frequentie omlaag. Dat kan alleen op eensluidend advies van het erkend organisme, de delen mogen tussen twee onderzoeken niet meer gebruikt worden dan bij drie maanden normaal gebruik, en er mag nooit meer dan twaalf maanden tussen zitten.

Wat telt eigenlijk als hefwerktuig?

Dit is de vraag waar het geld in zit, en het antwoord is minder breed dan “alles wat hijst”. Artikel 280 noemt liften en bouwliften, en daarnaast elk ander hefwerktuig dat bestemd is voor personenvervoer, of dat zich verplaatst of lasten vervoert boven of in de nabijheid van plaatsen waar personen kunnen vertoeven.

Die laatste zinsnede is de eigenlijke toets. Niet “tilt het iets op”, maar: beweegt er een last boven of vlak langs mensen? Een rolbrug in een hal valt er zonder twijfel onder — voor rolbruggen breidt het artikel het onderzoek zelfs uit tot de vervoerbanen. Bij een heftruck wordt er in België al jaren over gediscussieerd, met als gangbare lijn dat hij er pas onder valt zodra je er een hulpstuk voor hijsen of voor het heffen van personen aan hangt.

Liften zijn er juist uit gehaald: artikel 281 is voor liften opgeheven, en artikel 280 geldt niet meer voor personen- en fabrieksliften die na 30 juni 1999 in de handel zijn gebracht. Die vallen onder een eigen regime.

Twijfel je over een specifiek toestel, dan is dat geen teken van onkunde maar de normale toestand. Laat de classificatie bevestigen door je erkend organisme en leg dat antwoord vast bij het toestel — dan hoef je de discussie maar één keer te voeren.

Materieel dat de grens over gaat

Breng je toestellen vanuit Nederland naar een Belgische werf, dan hoef je ze niet per se opnieuw te laten keuren. Artikel 281quater aanvaardt het Nederlandse verslag van indienststelling of van de laatste periodieke controle, onder vier voorwaarden: het land van herkomst is lid van de Europese Economische Ruimte, elk verblijf in België duurt niet langer dan drie maanden, het verslag komt van een geaccrediteerde of erkende keuringsinstelling, en het is opgesteld in het Nederlands, Frans of Duits — of vertaald — en dekt dezelfde onderzoekspunten als artikel 280.

Blijft het toestel langer, dan gelden artikel 280 en 281 onverkort. En ziet de inspectie concrete aanwijzingen dat de veiligheidsvoorschriften niet zijn nageleefd, dan kan ze de controles alsnog laten overdoen.

Wat dit betekent voor je administratie

De regels verschillen per toestel, maar wat ze van je vragen is telkens hetzelfde: per object weten wie er wanneer naar gekeken heeft, en dat kunnen laten zien. Drie dingen maken dat haalbaar.

  1. Leg de classificatie vast bij het object, niet in iemands hoofd. Hefwerktuig of niet, en op grond waarvan — dat bepaalt de hele keuringsroute.
  2. Houd twee ritmes apart. Twaalf maanden voor het hele toestel, drie maanden voor de veiligheidsdelen. Eén keuringsdatum per object is hier te weinig.
  3. Laat het bewijs meereizen. Het proces-verbaal hoort bij het toestel, en voor alles wat buiten de onderneming gebruikt wordt, eist de codex sowieso een materieel bewijs van de laatste controle.

Hoe je dat voor hijsmiddelen praktisch inricht verschilt nauwelijks tussen de twee landen; alleen de grondslag en de termijnen zijn anders. En wie wil zien hoe je dat per object bijhoudt in plaats van per keuringsronde, vindt dat terug bij materieelbeheer.

Aan de slag

In vijf minuten
live.

Account aanmaken, eerste tool scannen, keuring inplannen. Geen verkoopgesprek vooraf, geen implementatietraject, geen creditcard.

  • 14 dagen gratis
  • Geen creditcard nodig
  • Maandelijks opzegbaar